Achtergrondverhaal: "Koeien in de kerk"

Het zevende verhaal: maak kennis met meneer Van Neck van de kerk van Zeerijp.

Achtergrondverhaal:

In de voorbereidingen van het festival ontmoeten we vaak bijzondere personen: de mensen die de zorg voor de eeuwenoude kerken op zich hebben genomen met liefde en toewijding. Zij kennen ‘hun’ kerken van binnen en van buiten en kunnen er prachtig over vertellen. Annejet Fransen, geschiedenisstudent met een zwak voor verhalen uit Groningen, nam het initiatief om deze vertellingen op te schrijven. In een reeks van acht afleveringen krijg je een kijkje in het leven van kerkbeheerders.

---

Meneer Van Neck vertelt liever over de Jacobuskerk van Zeerijp, waar hij rondleidingen geeft, dan over zichzelf. Hij kent haar bouwgeschiedenis, het gebruik, het interieur en de restauraties. Hij kent het dorp, hij kent de streek en hij kan de ontwikkelingen rond de kerk plaatsen in de Europese geschiedenis van de vroege middeleeuwen tot nu. Waarom heeft hij al die kennis bijeengesprokkeld? “Ik woon hier sinds 1980. Toen ik voor het eerst deze kerk binnenkwam was ik zo verbaasd. Ik begreep niet dat het zó mooi was.”

De schoonheid van de kerk begint al aan de buitenkant. De deurpost is beschilderd met symbolen en… Moorse arabesken. Versieringen van middeleeuwse islamitische Spanjaarden in Zeerijp? Hoewel het onwaarschijnlijk klinkt, heeft meneer Van Neck er een verklaring voor: “De kerk was gewijd aan Sint Jacobus. Zijn botten zouden liggen in Santiago de Compostella, in Spanje. Pelgrims die daarheen op bedevaart gingen konden aan de tekens bij de deur zien dat dit een Jacobuskerk was, en dat ze hier dus konden uitrusten onderweg.”

Deze jacobusgangers bezoeken de kerk nog steeds, net als ‘gewone’ toeristen die het vlammend rode interieur van de kerk komen bewonderen. Als de lage herfstzon naar binnen schijnt door de gotische ramen, stralen de muren. Die muren zijn glad, om de akoestiek niet te hinderen. Om ze toch het aanzicht te geven van de Groningse kleibakstenen werden met rode en witte verf stenen en voegen opgeschilderd. In latere eeuwen verdween alles onder een witte pleisterlaag. “Bij de restauratie die in 1961 begon, hebben ze er héél lang over gedaan om, centimeter voor centimeter, die prachtige rode stenen weer op te schilderen. Toen ze klaar waren hielden ze een bijeenkomst voor de kerkleden om uit te leggen wat ze hadden gedaan. Die vonden het heel mooi, maar hadden wel wat vragen. Waar was bijvoorbeeld het toilet? En wat was er gedaan om de kerk te verwarmen?” De restaurateurs waren in hun enthousiasme vergeten dat de kerk ook nog gewoon gebruikt moest worden, maar die ongemakken zijn nu gelukkig verholpen.

Tegenwoordig komen er alleen nog mensen in de kerk, maar ooit waren ook dieren welkom. Meneer Van Neck: “Toen ik acht was, nam mijn vader me mee naar een tentoonstelling waar ik op een schilderij een kerkinterieur zag. Daar liep een koe. Die zal wel ontsnapt zijn, dachten we, maar nee: mensen mochten als de noodklok luidde hun vee mee de kerk in nemen om het in veiligheid te brengen.” De deuren van de kerk zijn aan de binnenkant zwaar beslagen en kunnen worden vergrendeld met een dikke houten balk. Het gebouw, met de muren van 1,35 meter dik, lijkt wel een vesting. Dat was ook precies de bedoeling, vertelt meneer Van Neck. “Toen de kerk werd gebouwd - de eerste steen werd gelegd in 1295 - waren er nog vijandigheden tussen deze streek, Fivelgo, en Hunsingo, de buren. In de dertiende eeuw was de kerk van Loppersum in brand gestoken en de priester van Zeerijp vermoord. In het dorp leefde maar één wens: veiligheid.” De kerk was daarom behalve als bedehuis ook als toevluchtsoord bedoeld: een kerkburcht. Voor de dorpelingen, hun bezittingen, én hun koeien en schapen.

De sterke fundamenten van de kerkburcht hebben het gebouw totnogtoe redelijk beschermd tegen aardbevingen. Dat is niet het geval met het kleine schoolgebouwtje, dat aan de kerk werd gebouwd nadat deze protestants werd. Kerken namen toen de taak van het onderwijs aan kinderen over van de kloosters. Men hoefde inmiddels niet meer bang te zijn voor aanvallende buren, dus zijn de muren dun en de fundamenten ondiep. De wanden zijn nu vergeven van scheuren. Ook de losstaande toren heeft van de aardbevingen te lijden gehad. Zijn fundamenten hebben hun eigen verhaal, en ook dat kent meneer Van Neck: “Voor de dijken werden gebouwd, lag Zeerijp aan zee. Op de plek van de kerktoren stond toen een vuurtoren, bij de haven. Hij stond met een hoek naar zee, zodat schepen aan twee kanten het vuur konden zien. De fundamenten zijn gebruikt voor de kerktoren, daarom lijkt die nu een kwartslag gedraaid te zijn.”

Na alle eeuwen waarin reizigers van ver en dichtbij zijn aangespoeld in Zeerijp, heeft ook meneer Van Neck er zijn plek gevonden. “Ik kom uit Hilversum en mijn ouders waren onderwijzers. Mijn moeder werkte in Zeeland, waardoor ze bijna nooit thuis was. Na de watersnoodramp in 1953 wilde ze weg. Mijn ouders zochten een tweemansschooltje en werden aangenomen in Kloosterburen. Daar was een familie met een heel mooie dochter en met haar ben ik getrouwd in deze kerk.” Hij lacht en loopt naar het middenschip, om iets over het orgel te vertellen.

In de kerk van Zeerijp zijn boekjes verkrijgbaar over de kerk: 'Jacobuskerk Zeerijp', door W.J. van Neck en 'Het Faberorgel van de Jacobuskerk te Zeerijp', door A.S. Tuinstra.

Tekst: Annejet Fransen

Beeld: Nico Schutte