Achtergrondverhaal: "Achthonderd narcisbollen"

Het zesde verhaal: maak kennis met Aaltje Dijkema van de kerk van Marsum.

Achtergrondverhaal:

In de voorbereidingen van het festival ontmoeten we vaak bijzondere personen: de mensen die de zorg voor de eeuwenoude kerken op zich hebben genomen met liefde en toewijding. Zij kennen ‘hun’ kerken van binnen en van buiten en kunnen er prachtig over vertellen. Annejet Fransen, geschiedenisstudent met een zwak voor verhalen uit Groningen, nam het initiatief om deze vertellingen op te schrijven. In een reeks van acht afleveringen krijg je een kijkje in het leven van kerkbeheerders.

---

Een paar kilometer ten noorden van Appingedam, vlak aan de Eems, ligt een gehucht met mogelijk de oudste Romaanse kerk van het Noorden. Marsum wordt bevolkt door dertig mensen, onder wie de Dijkema’s, die vanuit de keukenramen van hun boerderij zo op de Mauritiuskerk kijken. Aaltje Dijkema is een kordate vrouw die vroeger nachtzuster voor terminale patiënten was (“maar nu ben ik uitgezorgd”). Ze vult de stilte van het wijde landschap met hartelijke woorden, en leidt iedereen die dat wil door het kerkje dat haar zo dierbaar is.

Het bakstenen godshuis wordt nog maar een paar keer per jaar voor kerkdiensten gebruikt, alleen in de zomer. “Er is geen verwarming, dus in de winter is het knikkekoud. We houden het interieur van de kerk zo authentiek mogelijk”, zegt Dijkema. ‘Authentiek’ betekent dan niet hetzelfde als ‘middeleeuws’. De banken worden bijvoorbeeld pas sinds na de Tweede Wereldoorlog niet meer van elkaar gescheiden door een middenpad. Maar nieuwigheden die de sfeer van de kerk veranderen wil ze niet.

Zo bleek ook toen de bouwkundige bij de restauratie van 1990 moderne lampen in de vorm van witte bollen ophing. “Ik was des duívels! Het zag er niet uit!” De bollen zijn weggehaald en de kerk moet het nu weer hebben van natuurlijk licht. “Mensen zijn niet genegen om in zo’n primitieve setting te verkeren. Iedereen wil het comfortabel hebben, het moet allemaal zo perfect zijn.”

Het eenvoudige kerkzaaltje met de marijnblauwe zoldering is een deel van het landschap, zonder een greintje pretentie. Mensen uit de wijde omgeving zijn hier door de jaren heen ter kerke gegaan, zelfs toen hun aantal te gering werd om elke zondag een dienst te houden. In 1973 ontstond een nieuw begrip: kerkdiensten in het Gronings. “Volgens mij kwamen er de eerste keer wel tweehonderd mensen”, zegt Aaltje Dijkema. Ze kent het verhaal van haar man Jan, die al zijn hele leven op deze plek woont. “Men vindt zo’n dienst óf prachtig, óf helemaal niks. Maar het is nu populair, mensen vragen regelmatig of er weer een Groninger dienst is.”

Hoewel de kerk veel moderne gemakken ontbeert is ze netjes en goed onderhouden, net als de wierde waarop ze staat. Aaltje maait al sinds 1987 het gras. “Vroeger was er een boer die wel eens een slag met de zeis maakte. Ik dacht ‘verdraaid, dat moeten we proberen bij te houden’. Dus toen ging ik maaien en zag de grafzerken bij de kerk, met prachtige teksten, maar je kon ze niet lezen. Ik heb ze zes keer geboend met bleekwater. We verfden ze op en probeerden ze te ontcijferen.” Zo werden ook de voordeur en hekken geverfd en de bomen gesnoeid. “We zijn er zo zoetjesaan ingedraaid. De Stichting Oude Groninger Kerken kreeg dat in de gaten en heeft ons toen de plaatselijke commissie genoemd.”

Over haar eigen overtuigingen zegt mevrouw Dijkema: “Ik ben randkerkelijk opgegroeid. Wel in de kerk getrouwd, door Jan eigenlijk, maar ik ben er nu vanaf gestapt. Ik weet het ook niet. Ik heb heel veel respect voor geloof! We doen allebei veel voor de kerk, ik heb er alles voor over, maar anders dan dat hoor ik er niet bij. Jan is wel echt religieus, christelijk. We hebben er geen ruzie over. Ik zeg altijd: als je niet begint te strijden, heb je ook geen strijd.”

De Dijkema’s zijn geen wantrouwige mensen. “De kerk is altijd open en los!” zegt Aaltje opgeruimd. “Je kunt er dag en nacht terecht. En er kan niets misgaan, want er valt niets te halen.” Van die gastvrijheid wordt grif gebruik gemaakt. Hoewel lang niet iedereen weet waar Marsum ligt, komen er dagelijks wel een paar mensen de kerk bezoeken. “Sommige mensen zijn zó belangstellend, die komen lopend deze kant op vanaf Appingedam.” De wandeling van een halfuur voert langs water en weiden waar het altijd waait naar het kerkpad, dat geflankeerd wordt door bomen en riet. “We hebben deze herfst achthonderd narcisbollen gepoot. Rond de paasdagen moet je hier zijn!”

Tekst: Annejet Fransen
Beeld: Nico Schutte