Achtergrondverhaal: "Gewone Damsters, gewone levens"

Het vierde verhaal: maak kennis met Roald van Elswijk en de synagoge van Appingedam.

Achtergrondverhaal:

In de voorbereidingen van het festival ontmoeten we vaak bijzondere personen: de mensen die de zorg voor de eeuwenoude kerken op zich hebben genomen met liefde en toewijding. Zij kennen ‘hun’ kerken van binnen en van buiten en kunnen er prachtig over vertellen. Annejet Fransen, geschiedenisstudent met een zwak voor verhalen uit Groningen, nam het initiatief om deze vertellingen op te schrijven. In een reeks van acht afleveringen krijg je een kijkje in het leven van kerkbeheerders. Dit is het vierde verhaal, dit keer over een ander soort godshuis: maak kennis met Roald van Elswijk en de synagoge van Appingedam.

---

“De synagoge is het hart van de geloofsgemeenschap. Het is een plek om samen te komen, en te leren uit de Torah. Dit gebouw is geen synagoge meer, omdat de Torahrollen er niet meer zijn. Dat zal ook nooit meer terugkomen.”

We staan onder de sterrenhemel van de Broerstraat 6, Appingedam. De sikkel van de maan hangt in het westen en de gouden sterren bespikkelen de rest van het diepblauwe plafond: ontelbaar als het nageslacht van Abraham. In het oosten komt de zon op boven de aron hakodesj waar ooit de heilige boeken werden bewaard. De zon van licht, hoop, een nieuw begin, vertelt Roald van Elswijk, de voorzitter van Werkgroep Joods Appingedam.

Dat nieuwe begin was in het bijzonder de inwijding van deze synagoge (ook wel ‘sjoel’) in 1801. Tot de aanvang van de negentiende eeuw had de joodse gemeenschap van Appingedam nooit toestemming gekregen voor de bouw van een huis van samenkomst – dus kwamen ze samen in een particulier huis. In de stad staan vier van zulke woonhuizen die gebruikt zijn als huissynagoge. Toch was een eigen gebouw nog duizendmaal mooier: een officiële ontmoetingsplek in de stad waar al eeuwen Joodse families woonden, en de oudste synagoge van het Noorden.

Appingedam had niet een echte Joodse buurt, daarvoor was de stad te klein. Er woonden wel veel Joden dicht bij de synagoge: een bakker, een slager. Je loopt er nog zo naartoe: kijk, daar is het gangetje waardoor de koeien naar achteren werden gebracht voor hun laatste minuten. “Gewone Damsters, gewone levens”, zegt Van Elswijk. Aan het begin van de twintigste eeuw waren er een Joodse muziekvereniging, een toneelvereniging, een vrouwenvereniging.

Hebreeuws leerden de kinderen in het schooltje achter de synagoge. De opperrabbijn uit Groningen kwam, soms aangekondigd en soms als verrassing, controleren hoe ze vorderden met hun lessen van het hoofd van de joodse gemeente, die in het rabbinaatshuis naast de synagoge woonde. De laatste die dit huis betrok was Heiman Akker met zijn vrouw en vijf kinderen. Ook in zijn tijd was er een moment van ‘licht, hoop, een nieuw begin’: de sjoel kreeg elektrische lampen in 1933, een geschenk van de vrouwenvereniging. “Daar was iedereen blij mee!” zegt Roald van Elswijk. “Nu waren ze eindelijk van al die kaarsen af.”

De binnenkant van de synagoge is beschilderd in volle tinten blauw, geel, bruin, goud en wit. Het zijn de kleuren zoals ze waren rond 1900, tot in detail hersteld. Als je door de houten deuren binnenstapt sta je in een lichte, maar verstilde ruimte. “Het is een emotioneel beladen plek, net als de Joodse begraafplaats”, zegt Van Elswijk terwijl hij naar het plafond kijkt. “Ik weet niet of dat een sacrale sfeer is, of dat er nog pijn hangt.”

In de Tweede Wereldoorlog werden 78 Joden uit Appingedam vermoord en de gemeenschap was daarmee bijna uitgevaagd. Niet dat zij vergeten is: de verhalen worden verteld. In de synagoge staat een kast met boeken, met de namen van de Joodse Damsters in gouden opdruk. Elk boek is in meerdere of mindere mate gevuld met foto’s, brieven en geschiedverhalen van één persoon. “Joa, ’k heb ook wel Jeuden kend”, hoort Van Elswijk soms oudere inwoners van Appingedam zeggen. 73 jaar is niet zo héél lang geleden.

In de stad circuleert een verhaal uit 1984, toen een herinneringsplaquette voor de omgekomen Joden in het oude Raadhuis werd onthuld. Oud-Damster Sam Kroon kwam ervoor in zijn Rolls-Royce vanuit Brussel, waar hij zijn fortuin had gemaakt in de tapijthandel. “Men vertelt dat hij toen stampij gemaakt heeft; het gemeentebestuur uitgescholden”, vertelt Van Elswijk. “Hij vond het gedenkplaatje te bescheiden en je kon er niet eens bij omdat het Raadhuis meestal op slot zit.” Kroon besloot een eigen monument op te richten bij de synagoge, in de vorm van een blok marmer met de 78 namen erin gegraveerd, staande op een davidsster. Ieder die nu de synagoge in of uit gaat, loopt erlangs.

“Herdenkingen zijn zo’n gevoelig vraagstuk… ik vraag me wel eens af of onze generatie er ooit uit gaat komen”, piekert Van Elswijk, laverend tussen enthousiasme en behoedzaamheid. “Dit gebouw is nu een plaats van herinnering. Geen museum! Hier is juist leven. Je kunt er nog steeds samenkomen en in gesprek gaan met elkaar. Deze plek is bijzonder. Of je nu Joods bent of niet, het voelt bijzonder, en dát zal altijd zo blijven.”

---

Een zus: Leen Akker 1923-1999

Leen Akker was de oudere zus van twee broertjes en twee zusjes en woonde sinds haar vijfde jaar in Appingedam, waar haar vader rabbijn van de synagoge was. Ze heeft vast ook wel op haar broertjes en zusjes gepast, maar vanaf de zomer van 1942 moest ze voor een ander kindje zorgen: het kleine meisje Sara Nieweg. De vader van de peuter was gedeporteerd en haar moeder tijdelijk blind geworden van de schok. De negentienjarige Lenie ging bij hen inwonen.

Een half jaar later werd haar eigen familie ook gedeporteerd, maar Leen, Sara en haar moeder, Miesje Nieweg, ontkwamen. Omdat ze al weg waren uit Appingedam vanwege mevrouw Niewegs oogklachten, konden ze op verschillende adressen onderduiken in Friesland.

Na de oorlog werd Miesje Nieweg met haar dochtertje herenigd en woonde Leen nog een tijdje bij hen in. Later ging zij haar eigen weg en die bracht haar op een goede dag naar Rotterdam, waar ze haar toekomstige echtgenoot ontmoette: Herman Preger. Ze gingen in Israël wonen en kregen een dochter en een zoon.

---
Een echtgenote: Rachelina Granaada-de Vries 1892-1980

Rachelina, bij aanvang van de oorlog al een vrouw van middelbare leeftijd, woonde in haar eentje in Appingedam. Misschien dat ze daarom onder durfde te duiken? Op 22 december 1942 zette ze haar melkpannetje buiten zoals altijd, zodat de melkboerin hem kon vullen. Zo leek het alsof ze gewoon thuis was. In werkelijkheid was ze gevlucht uit de stad en overleefde zo de oorlog.

In 1950 trouwde ze met een Amsterdamse weduwnaar, Alexander Granaada. Ze gingen samen in Groningen wonen.

---

Een zoon: Marcus Muller 1933-1943

Marcus, ook wel ‘Maxie’ genoemd, was het enige kind van Herman en Rachel Muller, betrokken leden van de joodse gemeenschap. Hij ging vaak mee met zijn vader, die slager was. Herman Muller had op zijn beurt het vak weer geleerd van zíjn vader. Maxie en zijn vader gingen naar opa Muller als er geslacht moest worden, want vader had bij zijn eigen slagerij niet genoeg ruimte.

In 1943 kreeg de tienjarige Marcus een nieuwe fiets, ook al mocht de fietsenmaker eigenlijk niks verkopen aan Joden. De vroegere huishoudster van opa Muller dacht dat het misschien daardoor kwam, dat Marcus twee dagen eerder dan zijn ouders werd weggevoerd door de Duitsers. Op 9 maart liep hij over straat met zijn fiets en werd opgepakt. Op 20 maart werd hij met zijn ouders om het leven gebracht in Sobibor, Polen.

---

Een vader: Simon van Hasselt 1900-1943

Simon werd geboren in Slochteren en was onderwijzer aan de lagere school op verschillende plaatsen in de noordelijke provincies. Hij trouwde met Geertje Nieweg en kreeg twee dochtertjes: Hermi en Sophia. Simon van Hasselt werd met zijn gezin vermoord in Auschwitz op 12 februari 1943.

Simon was niet alleen onderwijzer maar ook dichter, en bij de geboorte van zijn oudste kindje in 1928 schreef hij een gedicht:


‘n Vroagtaik’n..

Doar ligt ’n lutje kindje,

Doar slept onschuldighaid,

Van aalles, wat d’r leeft en dut

Begript het niks nog nait….


Doar ligt ’n lutje kindje,

En rust, onwaitend, deur;

En veur aal, wat het neudeg is,

Doar zörgt ’n aander veur.


Dat klaine teere leev’n is

’n Vroag op ’t leev’nspad:

Hou het straks gruien, bluien gait,

Och, wel veurspelt ons dat?

---

Tekst: Annejet Fransen

Beeld: Nico Schutte

Voor deze verhalen is gebruik gemaakt van het volgende materiaal:

Pauline Broekema, Dat tere leven (Groningen 2015)

Simon van Hasselt, ‘Grönneger Vèrskes. ’n Vroagtaik’n..’, Nieuwsblad van het Noorden, Groningen, 24 augustus 1928. Geraadpleegd op Delpher.

De verhalen van de Joodse mensen uit Appingedam
Onderzoek en redactie: drs. Benthe van Aalst
Te vinden in de Synagoge van Appingedam en op http://www.synagogeappingedam.nl/algemeen/families