Achtergrondverhaal "Wie bin der ook veur die"

Het eerste verhaal: maak kennis met mevrouw Hoeksema-Du Pui van de kerk van Godlinze.

Achtergrondverhaal

In de voorbereidingen van het festival ontmoeten we vaak bijzondere personen: de mensen die de zorg voor de eeuwenoude kerken op zich hebben genomen met liefde en toewijding. Zij kennen ‘hun’ kerken van binnen en van buiten en kunnen er prachtig over vertellen. Annejet Fransen, geschiedenisstudent met een zwak voor verhalen uit Groningen, nam het initiatief om deze vertellingen op te schrijven. In een reeks van acht afleveringen krijg je een kijkje in het leven van kerkbeheerders.

---

De beheerder van de Pancratiuskerk in Godlinze is een telg uit een oud Hugenotengeslacht en geboren in het zuiden van het land. Haar voorouders kwamen in het begin van de achttiende eeuw naar Nederland vanuit Frankrijk. Toch heeft mevrouw Hoeksema-Du Pui haar thuis gevonden in het kleine Groningse dorpje, waar iedereen welkom is.

“Mijn eerste echtgenoot is hier geboren en getogen. We woonden samen in Roden, maar daar voelden we ons niet thuis”, begint mevrouw Hoeksema haar verhaal. “Op een dag waren we terug van ’t werk, hij las de krant en ik was eten aan het koken, en toen zei hij: ‘Als we ooit nog naar Godlinze willen, moeten we nú in de auto stappen!’ Hij had namelijk in een advertentie gezien dat de pastorie te koop stond. Dus deed ik het gas uit, smeerde boterhammen en we reden met gezwinde spoed hierheen.” Het opknappen van de ietwat vervallen pastorie kostte een jaar, maar in 1974 woonde mevrouw Hoeksema in Godlinze. Ze is er niet meer weggegaan, hoewel ze tegenwoordig in een ander huis resideert.

Haar verbondenheid met de Pancratiuskerk is al veel ouder dan de verhuizing naar Godlinze. Ze is standvastig in haar trots op de kerk, ervan overtuigd dat de rest van de wereld haar schoonheid uiteindelijk ook wel zal zien: In 1969, in zijn 250ste sterfjaar, werd orgelbouwer Arp Schnitger geroemd met een herdenking en de oprichting van Stichting Groningen Orgelland. De eerste man van mevrouw Hoeksema wist uit overlevering niet beter dan dat het orgel in Godlinze ook van Schnitger was. “Maar in Groningen ontkenden ze dat.” Ze is nog steeds verontwaardigd. Het contract van de aanbesteding aan Schnitger werd echter teruggevonden in de Groninger Archieven en het Godlinzer orgel was eindelijk geen bastaardkindje meer.

In datzelfde jaar werd de Stichting Oude Groninger Kerken (SOGK) opgericht. Het leek de Hoeksema’s een goed idee als de Pancratiuskerk zou worden overgedragen aan de Stichting om gerestaureerd te kunnen worden, maar daar moesten ze nog tien jaar op wachten. In 1981, twee jaar na de overdracht, kwam er eindelijk een noodkap over het dak. “De kerk was een puinhoop. Bij slecht weer regende het binnen even hard als buiten, want er zaten gaten in het dak waar je varkens door kon jagen.” De gepleisterde muren waren vochtig en er was al iemand door de hardhouten vloer gezakt. De Godlinzers zamelden zelf tienduizend gulden in maar de restauratie kon pas echt beginnen toen de landelijke overheid over de brug kwam met een grote subsidie.

“Mijn mooiste herinnering aan de kerk is de ingebruikname in 1986.” Mevrouw Hoeksema straalt als ze het zich weer voor de geest haalt. Klaas Bolt, de beroemde organist uit Appingedam, speelde tijdens de ceremonie een variatie op het preludium in G-groot van Bach. (“Dat had ik in de oren gegrift staan.”) Tijdens de restauratie waren de witsellagen van de uitbundig beschilderde wanden gehaald en een houten vloer vervangen door plavuizen. Toch bleek de akoestiek van de Pancratiuskerk door alle verbouwingen heen bewaard gebleven: “Toen Klaas Bolt begon te spelen slaakte ik een diepe zucht en dacht ‘Yes jongens. Het is gelukt.’”

De kerk zat bij die gelegenheid stampvol. De Godlinzers zijn erg betrokken bij hun dorp, zegt mevrouw Hoeksema. “Godlinze is heel hecht, het voelt als een warme deken. Het is een bijzondere gemeenschap waar zuiver noaberschap heerst. Ik hoefde nooit hulp te zoeken, het is er altijd geweest.” Ze doelt op de periode nadat haar eerste echtgenoot was overleden. Een buurman sprak haar aan op straat en vroeg hoe het ging. Wel goed, antwoordde ze, maar er lag al een tijdje wat ‘mannenwerk’ dat ze niet kon doen. De buurman berispte haar: ze moest niet denken dat ze alles alleen hoefde opknappen! “Wie bin der ook veur die. Kloar.”

Op haar beurt verwelkomt ook mevrouw Hoeksema bezoekers. “Ik ga nooit het dorp in zonder sleutel, voor het geval dat ik iemand rond de kerk zie drentelen. Mensen aarzelen altijd om de sleutel te halen. Aarzel niet!” Idealiter zouden kerken van de SOGK altijd open zijn, maar dat durven veel beheerders niet aan. “In Zeerijp is hij wel open. De beheerder woont tegenover de kerk, dus dan heb je ’t gezicht erop.” In Godlinze laat men de bewaking van het kerkhof over aan een stel stokoude ganzen, dat schor maar luidkeels gakt als er onraad is. Maar wie met goede bedoelingen dorp en kerk bezoekt, wordt met open armen ontvangen.

---

Foto's: Nico Schutte